‘Rare poepchinezen’

Klazienaveen – Een ingezonden brief, geschreven door Harry Nibbelke.

Sinds de Coronacrisis begrijp ik die “rare poepchinezen” beter als ik tijdens mijn werk als gids in de vesting Bourtange in Groningen weer een groep Chinezen, Taiwanezen of Japanners mag rondleiden.

Meer dan de helft van de gasten heeft een mondkapje voor en loopt niet in een groep maar in een lange rij met gepaste onderlinge afstand achter de gids aan. Via hun oortelefoontjes worden ze van mijn verhalen op de hoogte gehouden via de vertaling van de reisleidster die ik in het Engels aanspreek.
Anders dan in Nederland, waar we elkaar gemakkelijk omhelzen tijdens een begroeting, weet iedereen in Azië hoe belangrijk het is om innige contacten juist te vermijden. Dat besef is diep verankerd in hun maatschappij. Oosterse landen hebben begin deze eeuw leergeld betaald tijdens de uitbraak van het Sars-virus en vol ingezet op voorlichting en preventie.
Respect dus voor deze aanpak en het bijbehorende, voor ons soms wat vreemd, afstandelijk ogende gedrag.

Aziaten werden na hun intrede in de Nederlandse samenleving wel eens gek aangekeken. Met name toen na de Tweede Wereldoorlog hun aantal in ons land toenam, ontstonden er liedjes en leuzen jegens deze nieuwe bewoners die getuigden van aan onwetendheid en onzekerheid ontsproten belediging.

Omdat zich vooral in Rotterdam veel Chinezen vestigden die o.a. pindakoekjes aan de man probeerden te brengen, ontstond al gauw het versje: “Inda, pinda, poepchinees!” Het versje met een goed lopend begin-en eindrijm bekte lekker! Poepchinees verwees waarschijnlijk naar het meer hygiënische, contactloze toiletgebruik van de Aziaat destijds, maar kan ook zeker beledigend of denigrerend worden opgevat. Hoe onterecht!
Chinezen hebben zich als groep nooit afhankelijk van hulp opgesteld, hebben altijd hun eigen boontjes gedopt en zich over het algemeen met hard werken en zeer plichtsgetrouw studeren een prima plaats in de Nederlandse maatschappij verworven.

Nu het Coronavirus een pandemie is geworden en wij allemaal inmiddels de noodzakelijke maatregelen om verspreiding tegen te gaan aan den lijve ondervinden, lees ik in mijn ochtendkrant een artikel over de verschillende manieren waarop landen de Coronacrisis bestrijden.
De strekking van dit verhaal is dat we een voorbeeld moeten nemen aan het gedrag van de Aziaten, en rap een beetje!
Ik was in de veronderstelling dat het virus juist begin dit jaar zijn oorsprong vond op een onhygiënische markt in Wuhan, in het Aziatische China gelegen. Dat is waar, maar de aanpak ter bestrijding verschilt nogal.
Als ik de bij het artikel geplaatste grafiek bestudeer blijkt inderdaad dat de regeringen van Japan, Singapore en Hongkong er met hun maatregelen het beste in slagen het virus in te dammen. Nederland bevindt zich in de middenmoot en daarom heb ik alle begrip voor de door de regering genomen maatregelen.
Kennelijk waren de waarschuwende woorden van de WHO over te passief optredende regeringen dan toch terecht.
Ook ik was in het begin van mening dat het allemaal wel mee zou vallen en dat het in het goed georganiseerde Nederland niet zo’n vaart zou lopen! Maar nu zitten we er middenin.

Er ligt nog een schone taak op “ de voormalige postbus 51” te wachten om ook Nederlanders bij de les te houden. Argeloosheid is, ook voor mij, een verkeerde houding gebleken! Heb vertrouwen,maar blijf alert!

Harry Nibbelke

error: De inhoud van deze website is beschermd !!