Zwartemeer 155 Jaar – Het verdwenen dorp -Deel 1-

Zwartemeer – Het grensdorp Zwartemeer viert dit jaar het 155 jarig bestaan. Schrijver Jans Jagt schreef ter gelegenheid van de komende feestelijkheden de driedelige serie “Het verdwenen dorp”. -Deel 1-
Het verdwenen dorp -Deel-1
Waar de oorsprong van het volgende verhaal ligt, is niet meer te achterhalen. Feit is wel dat het door de arme boekweitboeren in de plaggenhutten in het Bargeroosterveen werd verteld tijdens de lange winteravonden.
Lang voordat noeste kanaalgravers een begin hadden gemaakt met het graven van het kanaal van Hoogeveen naar de Duitse grens, lag er westelijk van de Pruisische grens een klein dorp.
Dwars door het dorp liep een smal veenpad. Reizigers tussen garnizoensstad Coevorden en het zanddorp Roswinkel maakten wel eens gebruik van het pad. Toch werd het meestal vermeden. Niet ten onrechte trouwens. De ruige bewoners van het dorp waren berucht vanwege de soms brute overvallen op de reizigers.
Geruchten deden de ronde dat er ook reizigers werden doodgeknuppeld. Ook moesten ze soms als een soort slaaf voor de dorpsbewoners werken. Het dorp bestond uit een twintigtal lemen woningen. Op zich was dat al bijzonder. Van geen enkel ander dorp in de buurt was bekend dat daar leem werd gebruikt om er woningen van et bouwen. Het materiaal hiervoor wisten de bewoners boven te halen uit een paar dieper gelegen leemputten.
Bij soldaat Leen Koperheer was van dit alles niets bekend. Sinds hij ruim een maand geleden uit handen van het vijandelijk leger was ontsnapt, had hij rondgezworven over het immense Boertanger Moor. Een enkele keer dacht hij dat de vijand hem volgde, maar nu in deze bijna ontoegankelijke moerasgebieden was terecht gekomen, waande hij zich veilig. Hij moest zijn ogen hier trouwens goed de kost geven, want een moment van onoplettendheid kon fataal zijn. Hij kon gemakkelijk wegzakken in het verraderlijke moeras. Dat zou zijn dood betekenen.
Hulp kon hij hier van niemand verwachten. Nee, hij was alleen op zichzelf aangewezen om het moeras over te steken en zich weer aan te kunnen sluiten bij zijn compagnie in fort Roswinkel. Twee keer had hij de afgelopen dagen geluk gehad toen hij zich nog net kon vastgrijpen aan een overhangende tak. Anders had het moeras al bezit van hem genomen.
Al een paar uur had het geregend. In de verte trokken onweersbuien voorbij. Nat en doorweekt zat hij tegen een berkenboom om te rusten. Honger en slaap hadden hem uitgeput. De bessen en bramen die hij onderweg had gevonden waren bij lange niet voldoende om hem op de been te houden.
Hoe lang Leen had geslapen kon Leen zich niet herinneren, maar plotseling werd hij wakker door geluiden die hier niet thuishoorden. Geluiden die door de wind werden meegedragen.
Het waren flarden, maar toch…
Het leken menselijke geluiden…
Geluiden van spelende kinderen…..
Hij moest zich vergissen.
Nee….daar hoorde hij het weer.
Langzaam richtte hij zich op. Met zijn gezicht tegen de wind gekeerd probeerde hij nogmaals de geluiden op te vangen die hem in verwarring hadden gebracht.
Ja, daar was het weer….
Einde Deel-1
