Drieluik geschreven door Jans Jagt. Deel 1
Klazienaveen – Ditmaal een drieluik, geschreven door Jans Jagt. Vandaag deel 1: De Vertraging.
De Vertraging
19 oktober 1949
Als het woord schoonheid nog bedacht moest worden, zou het beslist niet in het dorp Smodovolesk bedacht worden.
Waarom niet?
Omdat alles in en om Smodovolesk op deze druilerige herfstdag zo somber en kleurloos was, dat er in de verste verte van schoonheid gesproken kon worden.
Of het dorp zich aan zijn bewoners had aangepast of andersom weet ik niet, maar de dorpsbewoners deden in niets onder aan de indruk die ik van het dorp had.
Nooit zou ik van Smodovolesk gehoord hebben wanneer de als jeugdideaal begonnen treinreis met de Trans Siberische Express niet op een afstand van ongeveer driehonderd meter van het dorp tot stilstand was gekomen.
In dit gedeelte van Rusland was de reis toch al niet zo voorspoedig verlopen. Nu was het al de derde keer dat zonder enig aanwijsbare redenen het treinstel tot stoppen werd gebracht. Bleef het de voorgaande twee keren beperkt tot een kwartier en een half uur; nu verveelden de treinpassagiers zich in de volle trein zich al bijna een uur.
In mijn gereserveerde zitplaats aan het raam van coupé 416 had ik een prima uitzicht op het voor mij onbekende land. Een immense vlakte strekte zich uit van de trein tot de zeker tien kilometer verderop gelegen bosrand.
De miezerige regen deed mijn humeur geen goed.
Twee drammerige kinderen van amper tien jaar trouwens ook niet.
Zij verveelden zich.
Hun moeder was nu niet meer in staat de beide kinderen bezig te houden.
Over mijn knieën heen probeerden zij nu het raam te bereiken om op het beslagen gedeelte poppetjes te kunnen tekenen.
Drie poppetjes gaan nog, maar na de negende begon het mij danig te vervelen. Maak een Russisch kind in het Nederlands maar eens duidelijk dat ze moeten ophoepelen.
Ik besloot het gangpad op te gaan.
Het kleine schuifraam stond iets open waardoor ik naar buiten kon kijken.
Aan het eind van het stoppelveld stond de eerste woning van wat een dorp moest zijn. Waarom weet ik niet, maar mijn blik bleef gericht op het dorp. Tien minuten had ik zo al gestaan zonder dat er ook maar iets gebeurde.
Hoewel het volstrekt zinloos was en trouwens ook tegen de regels, besloot ik de trein te verlaten en naar het dorp te lopen.
De drassige grond sopte onder mijn voeten. Bij de tien stap was het water al door mijn schoenen gedrongen.
Niemand scheen mij op te merken.
Ieder moment verwachtte ik een bevel van de machinist of conducteur terug te keren.
Dat bevel bleef uit.
Binnen tien minuten had ik het stoppelveld overgestoken en stond ik nu voor de eerste woning van het dorp, dat nu uitdagend voor me lag.
Een enorm breed modderpad vormde blijkbaar de enige schakel van de ene kant van het dorp naar de andere.
Zeker vijftig meter stonden de woningen aan dit pad uit elkaar.
Kort geleden moesten zware dorsmachines dwars door het dorp zijn gekomen, getuige de diepe sporen die achter gebleven waren.
Sporen die door de regenval vol water stonden.
Dicht tegen de woningen lag nog een begaanbaar pad.
Langzaam liep ik verder.
Achtentwintig huizen telde ik snel. Daar had ik de schuren of wat daar voor door moest gaan nog niet meegeteld.
Het onderscheid was soms maar moeilijk te maken.
Grauwe grijze muren, waarin veel hout verwerkt was vormde het beeld dat ik voor me zag. De meeste huizen waren voorzien van een dak dat bestond uit een soort riet waarvan ik dacht dat dit bij de eerste stevige herfststorm zou verwaaien. Onzin natuurlijk.
En dan de kleine ruitjes.
Ruitjes waarachter oranje of paarse gordijntjes het geheel nog een beetje opfleurden.
Die gordijntjes leken de enige afwijkende kleuren in het dorp te zijn.
Verder was alles grijs.
De tot dusver drie bewoners die ik had opgemerkt spoedden zich naar een grote oude houten schuur aan de overkant van het modderpad.
Schichtig keken ze nog een keer in mijn richting alvorens ze aan de andere kant van de schuur verdwenen.
Niet dat mijn nieuwsgierigheid gewekt was, maar meer om het feit dat er verder geen enkele bedrijvigheid in het dorp te bespeuren was, besloot ik mij naar de overkant te wagen.
Tot aan de kuiten voorzien van een laag modder bereikte ik de waterput, naast de schuur.
Rond de waterput was nog niet zo lang geleden een begin gemaakt met wat eens een straatje zou moeten worden.
De enorm grote hefboom van de waterput zou in Nederland al lang tot museumstuk zijn verklaard. Gezien de grote scheuren leek het mij ook geen lang leven meer gegeven te zijn.
De voorzijde van de schuur bestond uit ruwe planken. Daarom liep ik door naar de zijkant; hier was een deur.
Duidelijk hoorde ik geroezemoes binnen.
Voor de ruit van de deur hing een aardappelzak. Door op mijn tenen te gaan staan kon ik door een kier naar binnen kijken.
Een schuur vol dorpsbewoners.
Op het moment dat de in het zwart geklede man naar voren trad, werd het stil in de schuur.
Uit de woorden die hij sprak, kon ik niets op uit maken.
Duidelijk werd het mij op het moment dat bruid en bruidegom naar voren traden en elk aan een kant van de spreker ging zitten.
Dit was een officiële plechtigheid!
Zeker een kwartier bleef de man in het zwart aan het woord.
Na zijn laatste woord brak een hartstochtelijk gejuich op waarbij het bruidspaar elkaar in de armen viel. Een paar duidelijk hoorbare zoenen volgden.
Was het huwelijk nu echt een feit?
De flessen kwamen op de lange tafels en iedereen haalde uit zijn eigen zak een glas die allemaal snel gevuld werden.
Door de bruidegom werd een soort dankwoord uitgesproken en daarna was het heisa.
De accordeonist en violist begonnen nu ook te spelen en het bruidspaar opende de dans.
Spoedig daarna was de hele dansvloer gevuld met feestgangers.
Wat ik niet opgemerkt had was dat een meisje van rond de twintig was komen aanlopen en de deur opende. Doordat ik op mijn tenen stond en licht met mijn handen tegen de deur drukte viel ik door de plotselinge leegte op de grond.
Misschien keken we elkaar een tel aan. Een glimlach verscheen om haar mond. Blond golvend haar kwam onder een wollen mutsje vandaan.
Zij pakte mijn arm en trok me mee naar de dansvloer. Voordat ik eigenlijk besefte wat er met me gebeurde, stond ik met een jong Russisch meisje aan het dansen op een voor mij volkomen vreemde bruiloftsfeest.
Af en toe werd mij een glas wodka in de hand gedrukt.
Na het derde glas begon mijn hoofd zwaar te worden. Dit soort drank was ik niet gewend. Zweetdruppels vielen van mijn voorhoofd.
Mijn mooie Russische danspartner week niet van mijn zijde. Wild sloeg ze soms haar armen om mijn nek, waarna ze zich stevig tegen mij aandrukte.
Vervelend vond ik het niet. Integendeel.
Toch werden haar op een gegeven moment de vier glazen wodka blijkbaar ook teveel en viel ze uitgeteld neer in een hoek van de schuur.
In mijn overmoedigheid dronk ik ook nog een vierde en vijfde glas.
Was het lekker? Beslist niet.
Daarna werd het mij ook bijna teveel.
Nog juist op tijd besefte ik dat het misschien wel zo verstandig zou zijn de trein weer te bereiken. Hoewel, de schuur zou ook een prima slaapplaats zijn.
Met vallen en opstaan bereikte ik de andere kant van het modderpad.
Een tiental meters voor mij had een man in uniform evenveel moeite zich staande te houden. Mopperend na weer een glijpartij probeerde hij zich opnieuw overeind te brengen
Na twee keer proberen lag hij nog in de modder. Zijn van oorsprong blauwe uniform zat helemaal onder de modder.
Ik stak hem een hand toe en elkaar ondersteunend strompelden wij verder.
Vaag wees hij in de richting van de trein.
Voorlopig moesten we dus dezelfde kant op.
Bij het stoppelveld aangekomen dacht ik afscheid van hem te moeten nemen.
Ongecontroleerd schuddend met zijn hoofd en wild zwaaiend met zijn armen probeerde de man mij duidelijk te maken dat hij naar de trein moest.
Verbaasd keek ik de man aan.
Hij zou toch niet…….?
Zwalkend bereikten wij samen de trein.
Met veel moeite klom de man op het opstapje van de locomotief en bonsde hard op de deur.
Een collega gekleed in hetzelfde uniform echter met een streepje minder op de mouw, deed mopperend de deur open en trok de besmeurde feestganger naar binnen.
Ziezo de machinist was binnen.
Nu werd het tijd dat ik coupé 416 weer opzocht.
De vrouw met de twee vervelende kinderen keek mij aan alsof ze een spookverschijning zag.
Langzaam zette de trein zich in beweging.
Dit keer met een vertraging van ruim drie uur.
Dit was ‘De Vertraging’ deel 1 uit een drieluik, geschreven door Jans Jagt.
(Afbeelding: Jans Jagt)
