Aurel Radu, het zigeunermeisje
Klazienaveen – Aurel Radu, het zigeunermeisje is een verhaal geschreven door Jans Jagt over het dorsen op de hoek Brugstraat en het van Echtenskanaal.
Aurel Radu, het zigeunermeisje
De dorsplaats op de hoek Brugstraat en van Echtenskanaal was tot laat in het jaar het toneel geweest van het dorsen. Kleine boertjes uit Klazienaveen en omgeving brachten hun graanoogst naar de dorsplaats bij de Dordsebrug. De ploeg van Boukes vader werd meestal ingehuurd om het zware werk voor hun rekening te nemen. Met bewondering keek Bouke vaak naar hun werk. In de schuur van Boukes vader hingen een tiental dorsvlegels aan de muur. Zorgvuldig werden de dorsvlegels in elkaar gezet. Dat luisterde allemaal heel nauw. De steel moest precies passen onder de oksel van zijn vader. Zijn vader hield van een lang slaghout.
De dorsplaats bij de Dordsebrug had een harde lemen ondergrond. De leem was vrijgekomen bij het graven van het van Echtenskanaal. Bouke keek altijd met verbazing toe dat de mannen elkaar niet raakten met de dorsvlegels. Nu het dorsen bijna ten einde was meende Bouke dat net als vorige jaren dat de zigeuners binnenkort weer naar Klazienaveen kwamen om op de dorsplaats te overwinteren.
Verleden jaar waren ze zes weken gebleven.
Twee dagen later zag Bouke vanuit zijn ouderlijke woning bij de gereformeerde kerk de zigeuners inderdaad aankomen. Zeven woonwagens staken de houten Dordsebrug over. Hij hoorde de zigeuners zingen op de vrolijke akkoorden van een accordeonist in de voorste woonwagen. Veel dorpsgenoten kwamen op deze bezienswaardigheid af.
Indrukwekkend was met name de kleding van de zigeunervrouwen. Ze droegen meerdere fel gekleurde en sierlijke schorten over elkaar. Opvallend waren vaak ook de gouden ringen armbanden en kettingen.
In de tweede woonwagen zag Bouke een zwartharig jong meisje. Zij had een gordijntje opzij geschoven om te zien waar ze dit keer terecht kwamen. Een paar seconden keek Bouke in de bijna zwarte ogen van het meisje. Ze droeg een rood gekleurd hoofddoek.
Bouke voelde kippenvel over zijn rug gaan.
Twee uur later stonden de woonwagens in een cirkel op de dorsplaats.
Bouke was een zestienjarige jongeman die bij boer Gerdes als boerenknecht aan het werk was.
Op zondag haalde hij altijd een paar emmers water voor zijn moeder uit het kanaal. Dat was best zwaar werk, want door de hoge wallen bij de Dordsebrug moest Bouke zo’n zes meter naar beneden en natuurlijk met twee emmers vol water weer naar boven klimmen.
Aan de andere kant van het kanaal zag hij het zigeunermeisje met het rood gekleurd hoofddoek onder in de wal zitten. Bouke hoorde dat ze snikte. Bouke bedacht zich niet. Hij liet de twee emmers staan en liep over de Dordsebrug naar het meisje.
“Kan ik je ergens mee helpen,?” vroeg Bouke belangstellend of was het misschien een manier in contact te komen met het meisje?. Snel veegde ze met de bovenkant van haar hand de tranen uit haar ogen. Ze schudde haar hoofd.
“Ik zag je gisteren aankomen. Hoe heet je.?”
“Aurel Radu.”
“Mag ik naast je komen zitten.?”
Aurel knikte. “Ik ben Bouke en woon aan de overkant.” zei Bouke terwijl hij op een half meter afstand van het meisje ging zitten.
Hij keek in de prachtige donkere ogen van Aurel. Vanonder haar rode hoofddoek vielen haar zwarte haren golvend over haar schouders.
“Bouke, waar blijft het water.? “ Aan de overkant riep Boukes moeder.
Bouke deed alsof hij niets hoorde. Hij lachte naar Aurel.
Nog een keer hoorde hij zijn moeder roepen.
“Zie ik je morgenavond nog een keer op deze plek?”
Aurel knikte en lachte.
De volgende avond liep Bouke zonder iets te zeggen na het avondeten naar de overkant. Zijn ouders en twee zusjes keken hem vragend na. Meestal was hij na de zware werkdag te moe om de deur uit te gaan. Op de Dordsebrug zag hij Aurel al staan. Haar frêle lichaam droeg een beige rok en een donkere ceintuur. Om haar schouders droeg ze een roodgekleurde poncho.
– Wat een beelschoon meisje- dacht Bouke terwijl hij rennend de Dordsebrug passeerde.
Aurel lachte.
“Ben blij dat je gekomen bent,” hijgde Bouke. Beide gingen op dezelfde plaats zitten als gisteren.
Aurel bleek veertien jaar te zijn. Ze was gisteren zo verdrietig geweest om dat het een jaar geleden was dat haar ouders waren overleden bij een overval in Duitsland. Sindsdien woonde ze bij haar oom en tante in de woonwagen. Een woonwagen waar ook een neefje en nichtje een slaapplaats hadden. Aurel sprak een mengelmoesje van Nederlands en Duits.
“Ik kan niet zo lang blijven. Mijn oom en tante vroegen gisteren ook al waar ik zo lang bleef.”
“Zien we elkaar morgenavond weer?
Aurel knikte opnieuw.
Na de tiende afspraak had Bouke de moed de mooie Aurel een kusje op de wang te geven .
Drie dagen later kusten ze elkaar.
Ruim zeven weken bleven de zigeuners in Klazienaveen. De dorsplaats was verhuurd aan de kermis. Aurel en Bouke waren in die weken onafscheidelijk.
Op zondag liepen ze uren lang hand in hand over het hoogveen.
Aurel kon prachtig zingen. Een aantal keren had hij haar horen zingen terwijl de oom haar op de accordeon begeleidde.
“Zie ik je ooit weer.?’ vroeg Bouke bij het afscheid.
“Ik weet het niet. We gaan terug naar Duitsland of Hongarije.” Bij Aurel stroomden tranen over haar wangen.
Bouke kon geen woord uitbrengen.
Vier jaar lang keek Bouke na de dorsperiode naar de plek onder aan de kanaalwal. Daar waar hij Aurel voor het eerst had gezien. Daar had hij haar gekust. Bouke droomde nog vaak van het mooie zigeunermeisje. Vier jaar lang had hij niet naar andere meisjes omgekeken. Kwamen de zigeuners ooit nog terug in Klazienaveen?
Door de slechte oogst duurde de dorsperiode dit jaar korter dan voorgaande jaren. Bouke was inmiddels ook een volleerd dorser geworden. Hij had de fijne kneepjes van zijn vader geleerd.
Het waren zware dagen geweest. Bouke verlangde naar een bord eten en daarna zijn bed.
Met de dorsvlegel over zijn schouders liep hij over de Dordsebrug naar zijn ouderlijk huis. Zijn klompen op de houten planken van de Dordsebrug verraadden zijn haast thuis te komen.
Bouke voelde een paar ogen in zijn rug prikken. Voordat hij de Dordsebrug verliet, keek hij over zijn schouder en zag onder in de walkant Aurel zitten.
“Aurel.”
Bouke draaide zich om en rende terug. Hij pakte de leuning van de brug om de bocht af te snijden en liet zich van de bovenwal naar de onderkant glijden. Daarbij verloor hij zijn rechter klomp die een vrije val in het kanaal maakte. Hij bedacht zich niet en sloeg zijn armen om Aurel heen. Hij voelde de warme lippen van het zigeunermeisje.
Een maand eerder was Aurel achttien geworden en dat betekende dat zij haar leven kon invullen zoals zij het zelf wilde. Ze had maar een wens en dat was terug te keren naar Bouke in Klazienaveen. Haar oom en tante betaalden de reis.
Hoewel het voor de verbaasde ouders wel even wennen dat er plotseling een dochter was bijgekomen, was Aurel meer dan welkom.
Acht maanden later trouwden Bouke en Aurel en kregen woonruimte in het achterste deel van de boerderij van boer Gerdes. Bouke en Aurel kregen drie kinderen.
Jans Jagt
